Door: REEF geeft raad / 16 mei 2015

Veel gemeenten hanteren geen exploitatievergunning voor het horecabedrijf, of hebben deze afgeschaft in het kader van de deregulering. Voor gemeenten is het belangrijk om goed te bezien of de exploitatievergunning horecabedrijf ook daadwerkelijk noodzakelijk is. Gemeenten hanteren deze vergunning vaak om twee redenen: 1) om overlast van horeca tegen te gaan of, 2) in het kader van de droge horeca (die niet onder de drank & horecawetgeving vallen), als aanknopingspunt om de Bibob-toets te kunnen uitvoeren.

Inleiding

De exploitatievergunning Horecabedrijf wordt in de regel gehanteerd naast het verstrekken van de drank- en horecavergunning (voor natte horeca) daarnaast wordt de vergunning ook gebruikt ten aanzien van droge horeca gelegenheden (indirect gebruik). Deze vergunning is in de regel gericht op een aantal door de gemeente te stellen voorwaarden ten behoeve van de openbare orde waar een horecaondernemer zich aan dient te houden (opgenomen in de ter plaatse geldende APV). Het voordeel van een dergelijke vergunning is dat de gemeente, naast de drank- en horecavergunning, ook specifiek met betrekking tot de locatie van de horecagelegenheid bepaalde zaken van openbare aard reguleert. In deze bijdrage gaan we het kort hebben op de voorwaarden voor een exploitatievergunning en in welke situaties deze in de regel wordt ingevoerd.

Onder een ‘horecagelegenheid’ of ’horecabedrijf’ wordt verstaan een gelegenheid en alle andere inrichtingen waar tegen vergoeding dranken worden geschonken en/of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt. Te denken valt aan een restaurant, café, cafetarief, snackbar, discotheek of lunchroom. Ook eventuele terrassen die daar bij horen, vallen onder horeca-inrichtingen.

Wanneer?

Indien een gemeente de exploitatievergunning Horecabedrijf wil gaan hanteren naast de drank- en horecavergunning dan is het aan te raden om vast te stellen vanaf wanneer een persoon verplicht is de vergunning aan te vragen, in de regel is dat bij:

- starten nieuw bedrijf;

- overname van bestaand bedrijf;

- wijziging van de ondernemingsvorm.

Openingstijden als onderscheid

Vervolgens wordt vastgesteld wat de binnen de gemeente geldende regels zijn met betrekking tot de openingstijden van lokale horeca. Laten we zeggen van 6.00u – 1.00u en op zaterdag tot 1.30u. Aan de hand daarvan worden in een drietal categorieën onderscheid gemaakt m.b.t. de aan te vragen vergunning die daarvan af mogen wijken (tijden zijn aannames):

1) de discotheek die op donderdag tot 2.00u en op vrijdag op zaterdag, respectievelijk zaterdag op zondag open mag zijn tot 4.00u.

2) broodjeszaken in het centrum, op van vrijdag op zaterdag en zaterdag op zondag tot 5.00u en overige dagen open mag zijn tot 1.30u.

3) alle overige horecaondernemingen in het centrum van vrijdag op zaterdag en zaterdag op zondag die open mogen zijn tot 3.00u.

4) (geldt voor allemaal) een terras mag in het centrum open zijn tot 1.00u en buiten het centrum tot 21.00u.

Wet Bibob

Er dienen voorwaarden vastgesteld te worden waaronder de vergunning verleend kan worden. In de regel weigert een gemeente de vergunning indien: 1) de aanwezigheid van het horecabedrijf een nadelige invloed op de woon- of leefsituatie en/of openbare orde of veiligheid in de omgeving van het horecabedrijf heeft. Bij deze beoordeling houdt de gemeente rekening met het karakter van de straat en wijk waar een bedrijf is gevestigd en met de aard en wijze van bedrijfsvoering. 2) De vestiging is in strijd met een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan en/of leefmilieuverordening. 3) Als sprake is van een alcoholvrij bedrijf en de leidinggevende de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt. 4) het hanteren van de Wet Bibob.

De wet Bibob (Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het Openbaar Bestuur) brengt met zich mee dat naast het gebruikelijke aanvraagformulier door de ondernemer ook de Bibobvragenlijst volledig ingevuld inclusief alle gevraagde stukken ingeleverd dient te worden.

Bij het toestaan van het terras (4de cat.) spelen de volgende zaken vaak een rol: 1) eventuele overlast terras, 2) ruimte die overblijft voor de voetgangers op het trottoir, 3) beoogde gebruik brengt geen schade toe aan de weg en levert geen gevaar op voor de bruikbaarheid van de weg, 4) het gebruik vormt geen belemmering voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg, 5) het gebruik doet geen afbreuk aan andere publieke functies van de openbare ruimte of aan het uiterlijk daarvan.

Uitzonderingen

De regels omtrent exploitatievergunningen zijn vastgesteld in de APV. Een gemeente kan kiezen om bepaalde horecagelegenheden vrij te stellen van de horecaexploitatievergunningenplicht indien zij geen overlast veroorzaken (bedrijfskantines, musea, zorginstellingen) maar ook voor natte horeca (inrichtingen die alcoholhoudende dranken verstrekken) die bijvoorbeeld de laatste 6 maanden geen overlast hebben gepleegd, dit mag de burgemeester ambtshalve of op verzoek doen. Mocht de horeca inrichting naderhand weer overlast veroorzaken dan kan de burgemeester deze vrijstelling weer intrekken. Dit heeft tot gevolg dat de exploitatievergunning horecabedrijf als stok achter de deur gaat functioneren en toepasbaar is voor maatwerk.