Door: REEF geeft raad / 21 januari 2014

Een schriftelijke arbeidsovereenkomst is niet altijd voldoende om een arbeidsbetrekking tussen ‘werknemer’ en werkgever vast te stellen. Volgens de vaste rechtspraak van de Hoge Raad hangt de vraag naar de aard van een overeenkomst niet af van de benaming (bijv. arbeidsovereenkomst) maar moet bij de vaststelling van de overeenkomst gelet worden op alle omstandigheden, zoals de bedoelingen van partijen en kan niet enkel worden afgegaan op de schriftelijke tekst van de overeenkomst. Een voorbeeld hiervan is het recente vonnis van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarbij een persoon – ik merk de persoon bewust niet als werknemer aan – vijf jaar loon ontving zonder daarvoor arbeid te verrichten (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24 december 2013, ECLI 2013:9932).

In deze zaak is de persoon in kwestie eerder getrouwd geweest met de directrice, tevens bestuurder, van werkgever. De persoon en werkgever hebben op 1 december 2005 een schriftelijke overeenkomst ondertekend waarin onder het opschrift ‘arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd’ staat vermeld en dat hij als senior consultant voor onbepaalde tijd in dienst treedt. Vervolgens wordt tot november 2010 maandelijks loon aan de persoon betaald.

De persoon vordert vervolgens een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is en dat deze nog steeds bestaat. Daarnaast verzoekt hij de rechter om de werkgever te veroordelen tot betaling van loon vanaf 1 november 2010. De kantonrechter wijst deze vorderingen vervolgens af omdat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. De kantonrechter oordeelt namelijk dat de overeenkomst enkel tot doel had om fiscaal voordeel te behalen op basis van getuigenverklaringen en verklaringen van personeel.

De ex-echtgenoot van de bestuurder van de werkgever is het daar niet mee eens en gaat in hoger beroep. Het Hof overweegt dat de schriftelijke akte waarin de arbeidsovereenkomst is opgenomen in beginsel dwingend bewijs oplevert. De werkgever laat vervolgens diverse personeelsleden als getuige horen en heeft het voltallige personeel vervolgens schriftelijk verklaard dat de persoon niet werkzaam was voor werkgever. Op basis hiervan acht het Hof werkgever geslaagd in het leveren van tegenbewijs zodat ook het Hof de vordering van de ex-echtgenoot afwijst.

Kortom, in bepaalde gevallen is ook een schriftelijke arbeidsovereenkomst niet voldoende om een arbeidsbetrekking tussen ‘werknemer’ en werkgever vast te stellen, onder omstandigheden kan zelfs een schriftelijke arbeidsovereenkomst niet leiden tot de vaststelling dat daadwerkelijk sprake is van een arbeidsovereenkomst.