Door: REEF geeft raad / 13 december 2013

Werkneemster heeft per e-mail 412 WOB-verzoeken ingediend bij alle Nederlandse gemeenten en provincies en werkt als juridisch specialist bij de werkgever. Vele opdrachtgevers van de werkgever worden door de medewerkers van werkgever onder meer ondersteund bij werkzaamheden met betrekking tot WOB-verzoeken.

Bij de 412 verzoeken heeft de werkneemster gebruik gemaakt van niet-bestaande verzoekers en een op haar naam geregistreerd bedrijf. Werkgever ontvangt via één van haar opdrachtgevers een bericht dat de werkneemster via een op haar naam geregistreerd bedrijf vele WOB-verzoeken heeft ingediend. Er wordt dan ook vermoed dat de werkneemster gebruik wilde maken van de ‘wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen’. Deze wet maakt het mogelijk dat verzoekers recht krijgen op een vergoeding indien de gemeente niet tijdig reageert op een verzoek. Werkgever stelt de werkneemster op non-actief en verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens een dringende reden.

Werkgever vraagt ontbinding op de kortst mogelijke termijn. Werkgever stelt tenslotte dat werkneemster heeft gehandeld in strijd met de bij werkgever geldende gedragsregels en het verbod op nevenactiviteiten, zoals overeengekomen in de arbeidsovereenkomst.

De werkneemster vraagt de kantonrechter het verzoek af te wijzen dan wel aan haar een ontslagvergoeding ter hoogte van € 20.016,- toe te kennen. Werkneemster voert aan dat zij slechts heeft gehandeld vanuit ideële motieven en niet uit was op het incasseren van dwangsommen.

De kantonrechter constateert dat de WOB-verzoeken van werkneemster alleen al door het aantal specifieke vragen omvangrijk zijn, waardoor de indruk kan worden gewekt dat ze erop zijn gericht dat de beantwoording niet binnen de gestelde termijn zal plaatsvinden. Daarnaast overweegt de kantonrechter dat  werkneemster – gezien haar functie – had kunnen verwachten dat haar handelingen de werkgever in een kwaad daglicht stellen. Daarbij wordt zelfs door de kantonrechter overwogen dat het handelen een reden had kunnen zijn voor een ontslag op staande voet.

Bron: Rechtbank Gelderland, 11 november 2013, AR 2013-0943