Door: REEF geeft raad / 18 oktober 2013

Op 20 september 2013 heeft de rechtbank Noord-Nederland een uitspraak gedaan in het kader van een ontslag op staande voet van een arbeidsongeschikte werknemer die zijn re-integratie belemmerde.

Werknemer was in 2007 in dienst getreden in de functie van magazijnmedewerker. Per 22 maart 2012 is de werknemer arbeidsongeschikt. In oktober 2012 is op advies van de arbeidsdeskundige een tweede spoortraject gestart. Op 4 juli 2013 is de werknemer op staande voet ontslagen omdat hij niet aan zijn re-integratieverplichtingen voldeed. De werkgever had namelijk op internet gezien dat de werknemer een actief wedstrijdloper was van marathons. Ook was op film vastgelegd dat de werknemer eind juni 2013 op een steiger werkzaamheden aan het verrichten was. De werknemer had deze activiteiten niet gemeld en ook geen toestemming gevraagd aan de bedrijfsarts. Dit was de werknemer wel verplicht op grond van de CAO.

De werknemer heeft op 5 juli 2013 de nietigheid van het ontslag ingeroepen en wedertewerkstelling gevorderd. Werknemer voerde aan dat het ‘mogelijk’ niet naleven van controlevoorschriften nog geen dringende reden oplevert voor ontslag op staande voet. Een loonsanctie was in zijn optiek de gepaste te nemen maatregel (HR 8 oktober 2004, Vixia/Gerrits).

De kantonrechter overweegt, naast de standaardoverweging dat alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen bij een ontslag op staande voet, dat de enkele weigering van een werknemer om controlevoorschriften na te leven inderdaad niet voldoende hoeft te zijn voor een ontslag op staande voet. Echter, uit het arrest Vixia/Gerrits blijkt ook dat het schenden van de voorschriften in combinatie met bijzondere omstandigheden een ontslag op staande voet wel kunnen rechtvaardigen. Daarbij komt bij dat uit hoofde van artikel 7:670b lid 3 BW bij weigering van een werknemer om mee te werken aan zijn re-integratie het opzegverbod niet van toepassing is, waarbij de wet tevens een ontslagmogelijkheid biedt.

De kantonrechter oordeelt vervolgens dat voldoende aannemelijk is geworden dat de werknemer zijn re-integratie heeft belemmerd en wijst de vordering van de werknemer van de hand.