Door: REEF geeft raad / 14 juni 2012

In maart 2009 neemt een werknemer van een uitzendbureau ontslag om werkzaamheden te gaan verrichten voor een concurrerend uitzendbureau. De voormalige werkgever is met de werknemer een concurrentiebeding overeengekomen. De voormalig werkgever besluit om de werknemer daar aan te houden. Op 5 oktober 2010 (LJN: BN9836) oordeelt het hof: “het is de werknemer voor de duur van het concurrentiebeding verboden te werken voor het concurrerende uitzendbureau op verbeurte van de overeengekomen boete van EUR 10.000 per overtreding totdat in de bodemzaak anders wordt beslist”. Daarnaast oordeelt de rechter dat de werknemer de reeds verbeurde boetes dient te betalen aan de voormalig werkgever. Als laatste oordeelt de rechter dat de werknemer binnen twee weken na betekening van het arrest een lijst aan de werkgever dient te verschaffen met de namen van klanten waarmee hij ten behoeve van het concurrerende uitzendbureau contact heeft gehad.

Vervolgens blijkt dat de werknemer het voorschot niet betaald en de lijst niet verschaft. Kortom hij blijft halsstarrig weigeren om aan het vonnis te voldoen. Ook blijkt dat de werknemer na bovenstaand oordeel nog steeds stelselmatig het concurrentiebeding schendt. De werkgever rest niets anders dan het vorderen van lijfsdwang omdat dit het enige middel is om voor elkaar te krijgen dat de werknemer zich houdt aan het vonnis.

Resultaat is dan ook dat de rechtbank te Breda (LJN: BQ9501) aan de tenuitvoerlegging van het arrest van het hof het dwangmiddel van lijfsdwang verbindt. Artikel 587 Rv regelt lijfsdwang, dit is het zwaarste middel dat een rechter kan inzetten als een partij zich niet aan een vonnis houdt. Voorwaarde is dat een rechter een dergelijke vordering slechts mag toewijzen als aannemelijk is dat de toepassing van een ander dwangmiddel (de dwangsom) niet tot het gewenste effect zal leiden en het belang van de eiser de toepassing rechtvaardigt. Het hof heeft vonnis gewezen en uit de later door de voormalig werkgever overgelegde stukken blijkt dat de verboden werkzaamheden nog steeds voortduren. Concluderend rest er niets anders dan het toepassen van lijfsdwang.

De gevolgen van dit vonnis zijn voor de werknemer niet mals, op het moment dat de werknemer besluit zich nog steeds niet te houden aan de veroordeling dan kan een deurwaarder (met medewerking van de politie) de werknemer meenemen naar het huis van bewaring. De werkgever zal dan wel de kosten van de bewaring moeten voorschieten, deze kosten kunnen uiteraard later worden verhaald op de werknemer. Het vonnis bepaald dat de werknemer maximaal één maand per overtreding (tot een maximum van één jaar) in gijzeling genomen mag worden en dat hij voor de duur van 24 uur mag worden ingesloten voor elke drie dagen dat hij de lijst met de namen van de klanten niet verstrekt met een maximum van één maand.

Natuurlijk is bovenstaande kwestie een uitzondering. Het moraal van het verhaal is dan ook dat een goed opgesteld concurrentiebeding serieuze gevolgen kan hebben. De juristen van REEF geeft raad hebben ervaring met dergelijke bedingen en kunnen u daarbij van dienst zijn.