Door: REEF geeft raad / 12 april 2012

Volgens artikel 10 Auteurswet behoren tekeningen en bouwwerken, als ook ontwerpen, schetsen en plastische werken betrekkend hebbend op de bouwkunde,  tot de werken waarop auteursrecht bestaat. De architect kan dus op zijn werk  auteursrechtelijke bescherming doen gelden. Voorwaarde daarvoor is wel dat het  werk een zekere mate van originaliteit dient te bezitten. In jurisprudentie worden daar geen hoge eisen aan gesteld. Het auteursrecht beschermt alleen concrete voortbrengselen, niet de stijl waarin een werk gemaakt is.

De architect heeft als maker van een werk een uitsluitend recht dit openbaar te maken en te verveelvoudigen, hierdoor heeft de  architect een sterke positie tegenover de opdrachtgever. Een opdrachtgever dient namelijk de toestemming te krijgen van de architect voor het ‘doen’ uitvoeren van het ontwerp, omdat dit valt te beschouwen als openbaarmaking daarvan. Dit geeft de architect een drukmiddel om zijn honorarium ook  daadwerkelijk op te eisen.

Problemen ontstaan vaak doordat de overeenkomst voortijdig wordt beëindigd. De architect kan dan verdere uitvoering van het werk blokkeren  door zich te beroepen op zijn auteursrecht. In de DNR 2011 is een uitvoerige regeling opgenomen ter voorkoming van patstellingen.

Het wijzigen van het ontwerp door de opdrachtgever

Een opdrachtgever kan niet onder de auteursrechtelijke bescherming die de architect geniet uitkomen door het ontwerp op ondergeschikte punten te wijzigen. Dit kan namelijk worden gezien als verveelvoudiging in het kader van artikel 13 van de Auteurswet. Deze bepaling geeft aan dat onder verveelvoudiging wordt verstaan: “iedere gehele of gedeeltelijke bewerking of nabootsing in gewijzigde vorm, welke niet als een nieuw, oorspronkelijk werk moet worden aangemerkt”. Deze bepaling heeft ook gevolgen voor bouwwerken die al zijn gerealiseerd, de architect kan daarmee voorkomen - door geen toestemming te verlenen - dat eenzelfde bouwwerk ergens anders opnieuw wordt gerealiseerd.

Architectenovereenkomst

In de regel is binnen de architectenovereenkomst geregeld dat de opdrachtgever een ontwerp krijgt met een ‘eigen’ oorspronkelijk karakter. De architect mag zijn eigen ontwerp wel herhalen, artikel 48 van de  DNR 2011 stelt namelijk dat de architect het recht heeft zijn ontwerpen bij  herhaling te verwezenlijken. Dit in tegenstelling tot de opdrachtgever die eerst toestemming van de architect nodig heeft.

Morele rechten op het  werk

De architect heeft ook morele rechten op zijn werk. Een architect kan zich verzetten tegen openbaarmaking van het werk onder een andere naam dan de zijne. Ook kan de architect zich verzetten tegen iedere wijziging van het werk tenzij dat verzet in strijd is met de redelijkheid. De architect kan zich tevens verzetten tegen iedere verminking, misvorming of andere aantasting van zijn werk die nadeel zou kunnen toebrengen aan zijn eer of goede naam. Bij dit laatste geldt dat  bij een verzet gebaseerd op misvorming/verminking er geen ruimte is voor een afweging tussen de belangen van de eigenaar van het gebouw en die van de architect. Er is dan ook geen verwijzing naar redelijkheid. De enige eis die geldt is of de  misvorming schade kan toebrengen aan de reputatie van de architect. Dit heeft als gevolg dat als een verbouwingsplan leidt tot een misvorming dat de  architect zich daar zonder meer tegen kan verzetten ook al zou de verbouwing vanuit een bouwtechnisch of functioneel oogpunt gerechtvaardigd zijn.

Is sloop misvorming?

In zowel literatuur als rechtspraak is veel gediscussieerd of sloop van het gehele werk een misvorming zou opleveren. Enerzijds werd gesteld dat als een gebouw geheel verdwenen is er ook niets overblijft waarmee de architect in negatieve zin kan worden verbonden. Er is dus geen gevaar voor de reputatieschade. Anderzijds werd geopperd dat als de eigenaar kiest voor sloop, indien verbouwing een goed alternatief zou zijn, bij derden de indruk wordt gewekt dat de waarde van het ontwerp bij de beslissing tot sloop weinig gewicht in de schaal heeft gelegd. In een arrest van de Hoge Raad inzake het Wavin-gebouw te Zwolle heeft de Hoge Raad hierover beslist(HR 6 februari 2004, RvdW 2004, 31, BR 2004). Volgens de Hoge Raad kan de totale vernietiging van een voorwerp waarin een auteursrechtelijk werk is belichaamd niet worden aangemerkt als een aantasting in de zin van de Auteurswet. Dit betekent niet dat een eigenaar van een gebouw onder alle omstandigheden vrij is om een gebouw te slopen. De vernietiging kan een misbruik van bevoegdheid in de zin van art. 3:13 lid 2 BW opleveren of anderszins onrechtmatig zijn. Tenslotte geeft de Hoge Raad een aanwijzing hoe men kan bepalen of sprake is van een misbruik van bevoegdheid: “hoe minder exemplaren van een werk bestaan hoe eerder men kan spreken van misbruik van bevoegdheid indien dit wordt gesloopt”. Kortom, als een gebouw uniek is dan kan van de eigenaar onder omstandigheden verlangd worden dat hij pas tot vernietiging overgaat indien daarvoor gegronde reden bestaat en hij zich de belangen van de maker aantrekt, in zoverre dat hij er desgevraagd voor zorgt – of de maker in de gelegenheid stelt - dat het gebouw goed beschreven en gedocumenteerd wordt.