Door: REEF geeft raad / 23 februari 2012

Op het moment dat een architect de fase van directievoering op zich neemt dan rust op hem deels een controlerende en deels een sturende taak. Controlerend in die zin dat de architect er nauwgezet op toe moet zien dat de aannemer het werk naar de eisen van het bestek en binnen de gestelde termijnen uitvoert en sturend omdat de architect door het geven van aanwijzingen in de uitvoering van het werk in kan grijpen wanneer de aannemer dreigt niet meer conform de besteksbepalingen te werken of kan ingrijpen indien door onvoorziene omstandigheden de aannemer niet meer vooruit kan.

Om bovenstaande taak goed te kunnen vervullen heeft de architect een zekere vertegenwoordigingsbevoegdheid. De reikwijdte van deze bevoegdheid bepaald in hoeverre een architect namens de opdrachtgever mag optreden tegen de aannemer. De mate waarin de architect de opdrachtgever kan binden wordt bepaald door de (aannemings)overeenkomst tussen opdrachtgever en aannemer en niet in de overeenkomst tussen opdrachtgever en architect. Als daarin staat dat de architect een bepaalde bevoegdheid heeft en in de aanneemovereenkomst staat dat de bevoegdheid van de architect niet gebonden is aan grenzen dan kan onder omstandigheden de architect de opdrachtgever binden. In de situatie dat er een discrepantie is tussen de bevoegdheden in de verschillende overeenkomsten dan kan de architect in feite meer dan dat daadwerkelijk de bedoeling is. Natuurlijk is er in dit geval wel sprake van een wanprestatie van de architect in de overeenkomst met de opdrachtgever (hij gaat immers zijn bevoegdheid te buiten) maar dan toch is de opdrachtgever gebonden aan de handeling van de architect richting aannemer (de aannemer kon immers niet weten dat de architect niet bevoegd was). Belangrijk om dit te voorkomen is ervoor zorgen dat zowel opdrachtgever als architect de interne en externe bevoegdheden goed op elkaar afstemmen, dit is vooral belangrijk met betrekking tot de bevoegdheid om bestekswijzigingen door te voeren (het UAV 1989 en de SR 1997 zijn daarin niet op elkaar afgestemd). In de DNR 2011 zijn de gevolgen voor het overschrijden van vertegenwoordigingsbevoegdheid gekoppeld aan de mate waarin de opdrachtgever baat heeft gehad aan de overschrijding. Een goede oplossing is om in de overeenkomst een clausule op te nemen die bepaald wanneer de architect zelfstandig kan optreden en wanneer toestemming van de opdrachtgever vereist is.

Er kan ook sprake zijn van een geval waarbij de aannemingsovereenkomst wel grenzen stelt aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de architect (directie) en dat de architect toch zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft overschreden. Dan is de opdrachtgever in beginsel niet gebonden. Daar is echter wel een uitzondering op indien de opdrachtgever door zijn houding de schijn heeft gewekt (zowel een doen als een niet-doen) dat de architect wel bevoegd was.