Door: REEF geeft raad / 08 februari 2012

Architecten hebben een algemene verplichting richting een opdrachtgever om bij de vervulling van de opdracht de opdrachtgever onafhankelijk en deskundig in een vertrouwenspositie als adviseur terzijde te staan. Deze verplichting bestaat tijdens alle fasen van een project. Eén onderdeel daarvan is de ontwerpfase, binnen de ontwerpfase bestaan een aantal specifieke verplichtingen richting de opdrachtnemer. In de ontwerpfase is o.a. de technisch deugdelijkheid van een ontwerp belangrijk. In hoeverre is een architect verantwoordelijk voor de technische deugdelijkheid van een ontwerp?

Technische deugdelijkheid
Voor de beantwoording van de vraag kan men twee uitgangspunten nemen. Enerzijds het uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid bij de architect slechts reikt tot de enkele vaststelling dat een ontwerp zodanig dient te zijn ingericht dat als er dienovereenkomst wordt gebouwd er een deugdelijk bouwwerk ontstaat dat voldoet aan alle door opdrachtgever gestelde eisen, zodat ten tijde van het ontwerp onbekende factoren tijdens het bouwen niet voor rekening van de architect zijn. Anderzijds kan het uitgangspunt genomen worden dat bij het ontwerp van een bouwplan de architect voldoende rekenschap dient te houden met de ‘state of te art’ ten tijde van het ontwerpen.

In de De Nieuwe Regeling 2011 (DNR 2011) wordt niet meer gesproken over een ‘verwijtbare fout’ (zoals in de Standaard Voorwaarden (SR 1997) nog wel het geval was) maar over een ‘toerekenbare tekortkoming’. Dit begrip wordt gedefinieerd als ‘een tekortkoming die een goed en zorgvuldig handelend adviseur of opdrachtgever onder de betreffende omstandigheden en met inachtneming van normale oplettendheid heeft kunnen en behoren te vermijden’. De architect kan dus volstaan met het in acht nemen van de ‘state of the art’ ten tijde van het ontwerpen. Dat betekent dat van de architect wordt verwacht dat hij zijn vakliteratuur bijhoud en op de hoogte blijft van de ontwikkelingen op zijn vakgebied om eventuele aansprakelijkheid te voorkomen. Dit laatste uitgangspunt is ook in lijn met de jurisprudentie over dit onderwerp (RvA 21 september 2001, nr. 20.588, BR 2001, p. 1049).

De eis van technische deugdelijkheid houdt ook in dat het ontwerp geschikt moet zijn om te worden uitgevoerd op de plaats die de opdrachtgever als bouwterrein heeft aangewezen. De architect moet zich op de hoogte stellen van de plaatselijke bodemgesteldheid. Hoe ver dit moet gaan wordt in de rechtspraak beoordeeld aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval (25 februari 1981, BR 1981, P. 876 en AIBk/RvA 19 april 1994, BR 1995, p. 534.). Bij sloop of verbouwing van een door andere panden omsloten gebouw zal de architect ook onderzoek moeten doen naar de staat van de belendingen, om te voorkomen dat daaraan schade wordt toegebracht (bijv. omdat te laat wordt opgemerkt dat een te slopen wand een gemeenschappelijk draagmuur vormt tussen twee panden, AIBk/RvA 1 december 1994, BR 1996, p. 517.). Met betrekking tot de situering van de bouw worden volgens de rechtspraak van het Arbitrage Instituut Bouwkunde (AIBk) geen bijzondere controleplichten ter plaatse van het bouwterrein verwacht.